top of page

Opstelling in de liturgische ruimte:
de centrale plaats van het altaar

De ruimtelijke organisatie van de Antwerpse kerk weerspiegelt op voortreffelijke wijze de strategieën die de Kerk aanwendde ingevolge de katholieke Reformatie. Het doel was om de eucharistische eredienst te bevorderen en een meer doorvoelde, persoonlijke ervaring van het geloof aan te moedigen door de gelovigen actiever te doen deelnemen aan de erediensten. Om hun betrokkenheid aan te wakkeren werd geleidelijk een nieuwe, spectaculaire sacrale scenografie opgevoerd. De nieuw opgetrokken gebouwen onthullen een uniforme, open maar ook sterk hiërarchische ruimte zodat men, waar men zich ook in de kerkruimte bevond, perfect zicht had op het hoogaltaar, en men de preken optimaal kon horen in het schip waarvan de centrale lege ruimte voldoende plaats bood aan de schare gelovigen.

Een wezenlijk onderdeel van deze scenografie van de eredienst is de centrale, zichtbare plaats van het altaar dat in het verleden vaak was afgeschermd door een imposante koorafsluiting, het doksaal, waardoor het mysterie van de eucharistie aan het oog van de gelovige onttrokken bleef. Het altaar wordt nu de meest sacrale plaats van de kerk, de bewaarplek voor het tabernakel dat de heilige materie herbergt (dat voorheen buiten het altaar werd bewaard), de plaats ook waar de ‘werkelijke tegenwoordigheid’, namelijk de aanwezigheid van God in het Heilig Sacrament, zich manifesteert. Deze rituele polarisatie van het heiligdom betekent dat het altaar en het koor waarin het zich bevindt een grote densiteit aan beelden in verschillende gedaanten vertonen: schilderijen (altaarstukken), beeldhouwwerk, ornamenten, cultusobjecten (kandelaars, monstransen, kelken), textiel en ook relikwieën (getoond op het altaar volgens de liturgische kalender). Al deze media dragen ertoe bij dat het hoofdaltaar als blikvanger fungeert en de plaats wordt waar de meeste handelingen zich voltrekken. 

In Antwerpen komen inderdaad alle vluchtlijnen van de scenografie samen in het door Rubens en Pieter Huyssens ontworpen altaar dat in 1621 werd uitgevoerd door het atelier van Hans van Mildert. De focus op het altaar wordt nog eens geïntensifieerd door zijn monumentale structuur binnen de setting van het koor waarin het zich bevindt. Een triomfboog van rood marmer, versierd met cassetten in Romeinse stijl sluit de ruimte af en creëert een afbakening met de voor de gelovigen bestemde ruimte. Het altaarstuk dat op een imposant stylobaat prijkt wordt omringd door dubbele zuilen die hoger reiken dan de zuilen in het schip, en is bekroond door een nis die uitsteekt boven de aanzet van het gewelf. Het altaarstuk is dus de enige structuur die de geleding in horizontale registers onderbreekt. Teneinde de proporties van het hoofdaltaar visueel te benadrukken, voorzagen Huyssens en Rubens in de koortravee drie kleinere niveaus - het eerste bestond uit brede muuropeningen die toegang gaven tot de sacristie, het tweede uit een tribune, en het derde uit een hoog raam.

Cliché C. Heering

Zoals gebruikelijk in jezuïetenkerken bevat het altaarstuk van het hoogaltaar episodes uit de heilige geschiedenis alsook voorstellingen van heiligen van de Sociëteit. De eerste twee schilderijen die in opdracht van de jezuïeten werden gemaakt, waren dan ook twee schilderijen van de ordestichters ter bevordering van hun cultus: Sint-Ignatius die demonen uitdrijft bij een bezetene en Sint-Franciscus Xaverius die een dode tot leven wekt, geschilderd door Rubens in 1617-1618 (nu bewaard in het Kunsthistorisches Museum te Wenen nadat ze werden verkocht ten gevolge van de opheffing van de orde in 1776). Ook al had de iconografie van de heiligen nog geen vaste vorm gekregen, toch beeldt Rubens ze af als wonderdoeners, en dit terwijl ze nog niet heilig waren verklaard en het Romeinse protocol het verbood om niet-gecanoniseerden als heiligen af te beelden, en ondanks het feit ook dat een van de aangevoerde argumenten tijdens de procedure tot Ignatius’ heiligverklaring nu net een gebrek aan wonderen tijdens zijn leven was! Ignatius wordt afgebeeld terwijl hij de mis opdraagt. Als bemiddelaar tussen hemel en aarde geneest hij zieken en zuivert hij de kerk van demonische krachten door de genezing van een bezetene die op het voorplan te zien is. Franciscus Xaverius wordt afgebeeld tijdens zijn evangelisatiemissie in Azië in zijn rol als ‘Apostel van Indië’. We zien hem zieken genezen en ongelovigen bekeren. Hij wijst naar het ware geloof dat bovenaan staat afgebeeld en een straal goddelijk licht uitzendt waardoor afgodsbeelden van een heidense tempel vallen. De krachtige retoriek die van Rubens’ schilderijen uitging diende volgens sommige auteurs zelfs ter argumentatie tijdens de heiligverklaringscampagne die de jezuïeten voerden met betrekking tot de twee heiligen. Twee andere schilderijen, namelijk de Kruisoprichting van Gerard Seghers en Maria met Kind aanbeden door heiligen van Cornelis Schut, werden begin jaren 1620 en eind jaren 1630 aan het programma toegevoegd en zijn vandaag de dag nog steeds alternerend te zien (samen met een 19de-eeuws schilderij van Gustaaf Wappers). Het eerste schilderij toont episodes uit de heilige geschiedenis en was bestemd voor de vastenperiode, het tweede schilderij werd getoond met Maria Tenhemelopneming (15 augustus). 

Het altaarstuk wordt bekroond door een Mariabeeld, patroonheilige van de kerk, die het Kind presenteert (momenteel in gips, maar oorspronkelijk in marmer). De nis waarin het beeld staat onderbreekt zowel het altaarfronton als de architectonische kroonlijst die de grens markeert tussen de witmarmeren wandbekleding en het half koepelgewelf. De oculus baadt het gewelf in hemels licht dat weerspiegelt in het gouden loofwerk en ons eraan herinnert dat Christus de ware bemiddelaar is die de barrières doorbreekt tussen de wereld hier op aarde en de geestelijke wereld. En het is geen toeval dat engelen het bovenste gedeelte van het altaar opluisteren. Als tussenwezens openbaren zij de hemelse aanwezigheid en schenken zij het licht van God tijdens de eucharistieviering die op het altaar plaatsvindt. 

Het koor rondom het monumentaal altaarstuk is volledig gestoffeerd met gekleurd marmer. Op de triomftravee die het koor afsluit tronen in vier koornissen beelden van jezuïetenheiligen die uitgevoerd werden in 1656-1657, dus pas 35 jaar na de voltooiing van de kerk (ongetwijfeld als gevolg van de financiële problemen van het professenhuis). We zien onderaan in het noorden Ignatius van Loyola, en in het zuiden Franciscus Xaverius (door Artus I Quellin), bovenaan Franciscus Borgia – die herkenbaar is aan de schedel – en Aloysius van Gonzaga, beschermheilige van de jongeren (door Hubert van den Eynde). Deze jezuïetenheiligen die het altaarstuk omboorden vertegenwoordigen de apostolische missie of de strijdende Kerk, terwijl de tronende Maria bovenaan het altaarstuk wordt voorgesteld als Koningin van de Hemel (Regina Caeli) of Koningin der Engelen (Regina Angelorum) en dus verwijst naar de triomferende Kerk.

Maar het altaarstuk en het iconografisch programma in het koor krijgen als ensemble pas werkelijk betekenis wanneer we ze integreren in een veel complexer netwerk van beeldassociaties, zowel op schaal van de kerk, binnen en buiten, als op schaal van de stad. 

bottom of page