Scenografie van het koor: de festiviteiten
voor de dubbele heiligverklaring van 1726

Een tekening uit 1727 die bewaard is gebleven in de Sint-Carolus-Borromeuskerk geeft ons een idee van de pracht en praal van de heiligverklaringsfeesten van de heiligen Aloysius Gonzaga en Stanislas Kostka (1726). In het middenschip zijn de arcades en de toegang tot het koor versierd met planten. Waar in elke travee een boom prijkt, sieren festoenen de bogen van het schip en de ingang van het heiligdom. Voor de zuilen van het schip staan op sokkels allegorische figuren (waarschijnlijk beschilderde panelen), terwijl in elke travee van de tribunes engelen een inscriptievlak schragen. Maar de meest feestelijke pracht en praal is te zien in het koor.

Het bovendeel van het koor wordt overkoepeld door een stoffen baldakijn waaronder de Christus van de Verrijzenis verschijnt, omringd door talloze engelen. Christus, staand op een H (waarschijnlijk de H van het IHS-trigram) bovenop een hemelse wolk, bevindt zich in het centrum van een stralenkrans waarvan de stralen voorbij de wolk reiken tot aan het onderdeel van het altaarstuk. De Christus van de Verrijzenis wordt aanbeden door twee jezuïeten die aan weerszijden knielen, wellicht de heilig verklaarde jezuïeten Aloysius Gonzaga (met de lelie) en Stanislas Kostka. Het altaar is getooid met kandelaars, een monumentaal altaarkruis en reliekbustes, en in het midden van de altaartafel prijkt een monstrans in de vorm van een troon met twee engelen die een kroon vasthouden, waarvan een soortgelijke te zien is in het schilderij van Anton Gunther Ghering uit 1665.
Het koor, waarvan het grootste deel versluierd is, wordt op deze wijze omgetoverd door deze hemelse enscenering. Van het altaarstuk zijn nog alleen de predella en de met plantenslingers getooide zuilen te zien. Van het koorgewelf is nog slechts een glimp op te vangen van de zijkanten, de rest is bekleed met een monumentaal baldakijn. Deze compleet nieuwe altaaropstelling sloot in feite naadloos aan bij de vanaf de jaren 1680 gangbare altaarstukopstellingen. Met een voorliefde voor een hemelse iconografie zoals apotheosen en heerlijkheden kenmerkt deze nieuwe altaarstukscenografie zich door een toenemende theatraliteit die werd bereikt door een dematerialisatie van de architecturale structuren onder impuls van een streven naar versmelting van de onderdelen, een beweging die vaak gepaard ging met de geleidelijke vervanging van geschilderde altaarstukken door centrale beeldhouwgroepen. Motieven of figuren die uit de structuur van het meubelstuk treden speelden een actieve rol in deze nieuwe drang om het altaarstuk te destructureren, evenals de naturalistische behandeling van het textiel, de decoraties die uitpuilen van de putti, en de wolken en heerlijkheden die de hemelse wereld opriepen. De efemere decoratieve aankleding van de heiligverklaring in 1726 maakte ook deel uit van deze ontwikkelingsgang, in overeenstemming met een nieuwe religieuze sensibiliteit die een voorliefde had voor naturalistische, theatrale en dramatische ensceneringen.

© C. Heering
Als we bovendien bedenken dat in sommige kerken bij speciale gelegenheden de wisselschilderijen werden verwijderd om plaats te maken voor tableaux vivants, kan men zich afvragen of in Antwerpen – zoals de tekening suggereert – het altaarschilderij niet opgeborgen zat in de onderliggende bergruimte, waardoor achter het altaarstuk de scenische ruimte zichtbaar werd die mogelijk toen al een delta, symbool van de H. Drievuldigheid, toonde met een stralend oog van God waarvan de stralen lijken overeen te komen met die van de efemere decoratie. Maar ongeacht hoe het decor er in 1726 uitzag, de ruimte achter het altaar lijkt te zijn gebruikt voor voorstellingen, getuige de aanwezigheid van haken op halve hoogte die moeten gediend hebben voor het ophangen van wisselende decorplaten tegen de benedenzijde van de decorwand.