Antieke en vroegchristelijke modellen

In de inleiding van zijn werk Palazzi di Genova, gepubliceerd in Antwerpen in 1622, een luxueuze bundel opgeluisterd met gravures van de mooiste woonhuizen in Genua (waar Rubens in 1607 verbleef), prijst Rubens de jezuïeten dat zij de oude bouwstijl, de gotiek, begraven hebben ten gunste van een nieuwe architectuur gebaseerd op de regels van Vitruvius:
‘We zien hoe hier te lande de bouwstijl die men barbaars of gotisch noemt geleidelijk aan veroudert en teloorgaat; en hoe enkele ingenieuze geesten de ware proporties volgens de regels van de Griekse en Romeinse antieken, met grootse luister en versiering in de vaderlandse architectuur introduceren; zoals blijkt uit de beroemde tempels recentelijk gebouwd door de eerbiedwaardige Sociëteit van Jezus in de steden Brussel en Antwerpen.’



Door het teruggrijpen naar de stijl van de klassieke oudheid – die het nieuwe gezicht van de Heilige Roomse Kerk had vormgegeven – nam de tempel van het Antwerpse professenhuis een bijzonder plaats in binnen het religieus architecturaal landschap, en gaf hij blijk van zijn trouw aan het vroege christendom. De klassieke vormentaal werd vooral op de architectuur toegepast, namelijk door het aanwenden van de antieke bouwordes en klassieke motieven, zoals de bazuin blazende engelen in de borstweringen van het portaal die herinneren aan de gevleugelde victoria’s van de Romeinse triomfbogen. Maar ze is ook voelbaar in het bouwplan dat nauw verwant is aan het plan van Vitruvius’ basilica zoals geïllustreerd door Palladio in Barbaro’s editie van Vitruvius, gepubliceerd in 1556. Vitruvius’ basilica is immers driebeukig met een in een apsis uitlopend koor, en boven de zijbeuken een twee verdiepingen tellende tribune die net als in de Sint-Carolus-Borromeuskerk Dorische zuilen heeft op de gelijkvloerse verdieping, en Ionische zuilen op de tweede geleding.


Hetzelfde plan ligt ook aan de basis van vroegchristelijke basilieken, zoals de basiliek van Sant’ Agnese fuori le mura in Rome. In het halfronde gewelf dat de apsis afsluit en het met cassetten versierd gewelf van het schip van de Sint-Carolus-Borromeuskerk vinden we een weerklank terug van deze vroegchristelijke basilieken. Hetzelfde geldt voor de ongemene rijkdom aan marmer dat de weelderigheid oproept van de interieurs van christelijke basilieken die gestoffeerd zijn met mozaïeken, kostbaar marmer en antieke architectuurfragmenten, zoals kapitelen en marmeren zuilen.
Deze verwijzingen naar vroegchristelijke kerken maakten in feite deel uit van een algemene heropleving van de vroegchristelijke kunst en cultuur ten tijde van de katholieke Reformatie: theologen keerden terug naar de geschriften van de vroege kerkvaders, Romeinse archeologische overblijfselen werden bestudeerd, de lichamen van de eerste martelaren in de catacomben wedergevonden en hun relikwieën verspreid over Europa. Terwijl de kerk tijdens haar eigen hervorming haar geloofsleer opnieuw trachtte te definiëren en haar legitimiteit te consolideren, bleef ze de erfenis van de ecclesia primitiva verkondigen. Het heiligdom van het Antwerpse professenhuis met zijn bewuste verwijzingen naar vroegchristelijke kunst is aan te merken als een van de mooiste voorbeelden van dit verlangen om de aura en heiligheid van de eerste kerken buiten Rome te herscheppen.


Dit evoceren van een geïdealiseerd verleden krijgt een bijzondere betekenis in de context van de jezuïeten. Als pas opgerichte orde zocht ze haar wortels in een ver verleden, waarbij de heiligen uit het heroïsche tijdperk van het geloof model stonden voor de vervolgde leden van de missieorde. Het is dan ook geen toeval dat de plafonds die Rubens schilderde afbeeldingen tonen van deze ‘oude heiligen’, de kerkleraren, auteurs van de geloofsleer en verdedigers van de orthodoxie, en van de maagdelijke martelaressen uit het vroege christendom. Deze eeuwenoude heiligen werden ingezet om de kracht te tonen die deze helden uit het eerste tijdperk van het christendom aan de dag legden om het voortbestaan en de voorspoed te verzekeren van het ware geloof en zijn triomf over de heidenen, waarmee men doelde op de protestanten. Maar in Antwerpen dienden deze ‘oude heiligen’ ook tot herstel van de sporen van een ‘christelijke’ oudheid in een stad die pas zo’n dertig jaar ‘katholiek’ was.


Naast deze ‘oude heiligen’ was de Sociëteit van Jezus sinds de jaren 1570 bijzonder ijverig op zoek naar ‘nieuwe’ heilige lichamen uit het vroege Christendom, de heiligen die begraven lagen in de Romeinse catacomben, de ‘nieuwe oude heiligen’ wier lichamen massaal zouden binnenstromen in het moderne katholieke Europa, wier geschiedenis nog geschreven moest worden, wier wonderen nog moesten worden verricht en wier reizen nog moesten worden afgelegd. En ook hier speelden de jezuïeten een voorname rol: zij waren de eersten die toegang zochten tot de Romeinse ondergrondse catacomben en die de beenderen naar hun woonst brachten. Vooral de Antwerpse jezuïeten lieten massaal beenderen van Romeinse martelaren uit de catacomben overbrengen. Het Antwerpse professenhuis slaagde erin om middels twee toestromen van beenderen uit de catacomben - in 1615 en in het midden van de jaren 1640 - 13 hele lichamen van Romeinse martelaren te verzamelen! De reliekschrijnen werden tijdens bepaalde feesten tentoongesteld. Hierbij werden ofwel de zilveren reliekbustes op het altaar getoond, ofwel de reliekschrijnen die boven de biechtstoelen in nissen stonden geplaatst en waarvan de beschilderde dubbele deurtjes op ceremoniedagen werden geopend.