Stedelijk netwerk: de gevel tussen stad en koor

Het associatief beeldnetwerk beperkt zich echter niet tot het kerkinterieur. Door het programma van de voorgevel in aanmerking te nemen en onze lezing nog verder door te trekken naar stedelijke schaal zien we hoe beelden elkaars echo vormen, en tekenen er zich netwerken af die de dimensie binnen/buiten en sacraal/profaan overstijgen.

De voorgevel, die een zeldzame overvloed aan beelden en ornamenten etaleert, vertoont een programma waarvan de formele en iconografische inventiviteit in de Nederlanden zijn weerga niet kent. Het gevoel van diffuse weelde, echter gecompenseerd door de strikt hiërarchische geleding van de gevel, neemt in crescendo toe met als orgelpunt de hoofdtravee. De ornamentele, semantische dichtheid van de gebeeldhouwde decoratie lijkt immers toe te nemen naarmate men de centrale as van de gevel nadert. Terwijl de twee uiterste traveeën voorzien zijn van architectonische decoratie (antiek vocabularium, cartouches) en plantenmotieven (acanthus, guirlandes en vruchtentrossen), zijn de twee traveeën aan weerszijden verrijkt met antropomorfe figuren (engelen, grimassen trekkende figuren) en vleugelstukken in de bovengeleding. De traveeën die de centrale travee flankeren worden bekroond door een attiekverdieping met bekronend fronton en zijn voorzien van zes nissen met beelden die een gehistorieerd decor vormen. Het leeuwendeel van de gebeeldhouwde decoratie concentreert zich in de centrale travee en deze axiale dichtheid wordt nog geaccentueerd door de aanwezigheid van een beeldengroep in het fronton, waardoor beklemtoond wordt dat de traveeën in hoogte toenemen naarmate ze deze centrale as naderen.



Een meer nauwkeurige analyse van de gebeeldhouwde decoratie toont dat dit formele crescendo onlosmakelijk verbonden is met de retoriek van de gevel. In de traveeën die de centrale travee flankeren herbergen de nissen op de gelijkvloerse verdieping beelden van Sint-Petrus en Sint-Paulus, en de nissen op de tweede en derde bouwlaag beelden van de vier evangelisten (oorspronkelijk stonden Petrus en Paulus in het midden). Deze beelden vertegenwoordigen het gezag van de Kerk en haar geloofsleer. Terwijl de evangelisten de verkondigers zijn van het goede nieuws van de Verlossing en de fundamenten vormen van de Kerk door hun apostolische missie naar het voorbeeld van Christus, worden de heiligen Petrus en Paulus, de ‘prinsen van de apostelen’ en historische verdedigers van het ware geloof, vaak ingezet om de Heilige Roomse Kerk weer te geven (Petrus vertegenwoordigt het gezag van de paus en de macht van de geestelijkheid) en de orthodoxie van haar doctrine (de brieven van Paulus vormen de basis van de dogma’s van de Kerk).

De centrale travee bevat een triomfportaal waarboven gevleugelde bazuin blazende victoria’s, en wordt bekroond door een imposante cartouche met het IHS-trigram (de goddelijke naam van Jezus en symbool van de Orde) dat door engelen opgeheven wordt naar een krans van palmbladeren. Op de bovengeleding staat een bescheiden buste van Sint-Ignatius, eveneens door engelen met lauwerkrans gekroond. In het fronton boven de drie centrale traveeën troont Maria met haar Zoon op schoot onder een door engelen geschraagd baldakijn. Triomfboog, gevleugelde godin van de overwinning, krans van palmbladeren of lauwerkrans, door engelen verheven glorietroon en baldakijn, het betreffen stuk voor stuk triomfantelijke symbolen van de overwinning samengebald in de centrale travee van de gevel, met als hoogtepunt de figuur van Maria, voorgesteld als Koningin van de Hemel onder een hemels baldakijn. Terwijl de beelden in de zijtraveeën de autoriteit van de kerk en haar doctrine voorstellen, of meer precies de strijdende kerk, illustreert de centrale travee het hemelse koninkrijk, of de triomferende kerk, door middel van de viering van de Heilige Maagd Maria die het Kind presenteert, in een crescendo dat ons herinnert aan de vormelijke compositie van de gevel.

Deze viering van de Heilige Maagd Maria moet ongetwijfeld gezien worden als een uiting van de triomf van de vernieuwing van het katholieke geloof in Antwerpen waaraan de jezuïeten actief hadden bijgedragen. In dit opzicht is de verheerlijking van de Mariafiguur het best te begrijpen in relatie tot het nabijgelegen stadhuis dat boven de daken van de Antwerpse woonhuizen uitprijkt. Na de katholieke overname van de stad liet de jezuïtische sodaliteit van Maria met de steun van de magistraten van de stad in 1587 het beeld van Brabo in het stadhuis (profaan embleem van Antwerpen) vervangen door dat van de Heilige Maagd, patroonheilige van Antwerpen. Door de Heilige Maagd Maria, de personificatie van de Kerk, in de bovenste nis van het stadhuis te plaatsen, vierden de jezuïeten de terugkeer van het ware geloof en onderwierpen ze het burgerlijke gezag aan het heilige gezag. Dankzij een derde niveau, bekroond door een fronton dat uitkijkt over de daken van de stad en zichtbaar is in het stedelijk landschap, staat het Mariabeeld van het professenhuis in dialoog met het Mariabeeld op de toren van het stadhuis. De twee heilige maagden kijken elkaar aan en vormen zo als het ware een sacrale corridor tussen de twee belangrijkste en meest innovatieve gebouwen van de stad.

