Luisteren: de muzikale iconografie van het orgel

De liturgie werd op onmisbare wijze ondersteund door muziek. De aanwending ervan werd geregeld door het Concilie van Trente dat voorschreef dat het orgel moest worden opgesteld aan de westkant, op een tribune of zoals hier het geval is op de galerij tussen de begane grond en de gewelven voor een betere geluidsvoortplanting. Het orgelbuffet, de kast waarin zich het orgelmechanisme en het pijpwerk bevinden, heeft een akoestische functie: als omhulsel en ter bescherming met een open orgelfront voor een goede klankuitstraling, maar ook een esthetische functie: het instrument in de schijnwerpers plaatsen. Het geeft gestalte en melodie aan de goddelijke boodschap die het uitdraagt tijdens de eredienst, en het laat de heilige woorden weerklinken. Opgesteld tegenover het koor op de tribune vormt het qua monumentaliteit de pendant van het altaar, als meubelstuk dat bijdraagt tot de scenografie van de locatie en vanuit liturgisch oogpunt als geluidsdrager van het beeld.

Het orgelbuffet van de Sint-Carolus-Borromeuskerk werd in 1720-22 gebouwd door Jan Pieter van Baurscheit en de orgelbouwer Jean-Baptiste Forceville. Het vertoont een volume dat zich schikt naar de V-vorm van het centrale venster, met een laag centraal torentje onder het middenvenster, en hoge, bekroonde zijtorentjes die het hoge raam flankeren.



De sierelementen van het meubel weerspiegelen op visuele wijze zijn functie: de bekroning wordt verlevendigd door engeltjes die diverse muziekinstrumenten bespelen (bazuin, cello, zang, viool, triangel, lier, luit), de zijkanten beelden de allegorieën van de muziek uit, terwijl het benedengedeelte wordt opgeluisterd door trofeeën van muziekinstrumenten.