Jaarlijkse liturgische cyclus

Afhankelijk van de tijd van het jaar kregen gelovigen die de Antwerpse jezuïetenkerk betraden verschillende schilderijen te zien, centraal opgesteld in het imposante, door Rubens en Pieter Huyssens ontworpen altaar. Wat het Antwerpse altaar inderdaad zo bijzonder maakt is dat het een ‘machine-altaar’ is. Het bestond namelijk uit vier schilderijen die alternerend werden getoond volgens de liturgische kalender. Het wisselen gebeurde met behulp van een vernuftig katrolsysteem waarmee de schilderijen werden opgehesen of geborgen in een kist onder het altaar. Hoewel wisselaltaarstukken vrij gebruikelijk waren in de kerken van de Sociëteit is het altaar in Antwerpen bijzonder omdat het zijn originele mechanisme heeft behouden (thans gerestaureerd). Vandaag de dag is de schilderijwissel in de kerk een nog steeds te bewonderen ritueel dat veel bezoekers trekt. Bij het naar beneden laten zakken van het schilderij verschijnt in de daarachter liggende ruimte een apsisvormig tafereeltje in de vorm van een schilderij met boven Gods oog in een stralende driehoek van de H. Drievuldigheid die doorheen de wolken priemt (waarvan het centrale deel een afgerond, tegen de achterwand geplakt doek is) met onderaan boomgewas.

All Videos
© C. Heering





Oorspronkelijk hingen er centraal in het altaar vier schilderijen. De eerste twee werden in 1617-1618 door Rubens geschilderd en tonen Sint-Ignatius die een bezetene verlost en Sint-Franciscus Xaverius die een dode opwekt. Deze twee schilderijen bevinden zich thans in het Kunsthistorisches Museum te Wenen nadat keizerin Maria Theresia ze in 1773 aankocht voor de keizerlijke collectie ten gevolge van de opheffing van de orde door paus Clemens XIV. Terwijl deze twee schilderijen dienden om de cultus van de stichters van de Sociëteit te promoten - ook al waren ze nog niet heilig verklaard - maakten twee andere schilderijen met als thema de geschiedenis van Christus en Maria het programma compleet: De Kruisoprichting van Gerard Seghers (jaren 1620), en Maria met Kind aanbeden door heiligen van Cornelis Schut (einde jaren 1630), twee werken die vandaag de dag nog steeds afwisselend in de kerk te zien zijn. Deze twee schilderijen die belangrijke gebeurtenissen uit de heilige geschiedenis uitbeelden dienden ter ondersteuning van de liturgie. Ze versierden – zoals nu nog steeds het geval is – in aansluiting met hun iconografie het altaar op specifieke tijdstippen in de liturgische kalender: de Kruisoprichting tijdens de vastentijd, en Maria aanbeden door heiligen tijdens Maria Tenhemelopneming (15 augustus) (met een Onze-Lieve-Vrouw van de Carmel van Gustaaf Wappers, toegevoegd in de 19de eeuw, thans getoond vanaf Paasmaandag). Aangenomen wordt dat het schilderij van Ignatius werd getoond op 31 juli, zijn feestdag, en dat van Franciscus Xaverius op 3 december. In de oudste interieurzichten van de kerk zien we echter meestal centraal in het altaarstuk Rubens’ schilderij van Sint-Ignatius dat ongetwijfeld een van de belangrijkste bezienswaardigheden van de kerk was. Bovendien – in de veronderstelling dat dit werk tijdens de jaarlijkse liturgische cyclus slechts gedurende een relatief beperkte tijd getoond werd, namelijk van 31 juli (feest van Ignatius) tot 15 augustus (Maria Tenhemelopneming) – konden de toeschouwer het werk van Rubens te allen tijde bewonderen aan de hand van de voorbereidende schetsen die hij had gemaakt voor de twee altaarschilderijen en die permanent op de zuilen bij de ingang van het koor hingen.

Naast het wisselen van de altaarschilderijen is ook de kleur van het liturgisch textiel (antependium en priestergewaden), met zijn eigen symboliek, belangrijk voor het aanduiden van bepaalde tijden en feesten in de jaarlijkse liturgische cyclus. Groen staat symbool voor de schepping en de natuur, wedergeboorte, naastenliefde en gerechtigheid, en wordt tijdens de gewone tijd gedragen tijdens de zondagsdiensten, van de 3de zondag na Pinksteren tot advent. Rood symboliseert dan weer de passie en Christus’ bloed, en wordt gebruikt op het feest van de martelaren of tijdens passiefeesten. Als symbool van vuur wordt het ook gedragen de dag van Pinksteren. Als symbool van goddelijke liefde wordt rood in verband gebracht met Goede Vrijdag, het Sint-Jansvuur, de zegening van het Heilig Sacrament en het feest van de kruisverheffing.

Op het schilderij van Ghering uit 1665 bestaat de feestelijke pracht en praal op het altaar uit een verguld antependium (een kleur die gebruikt wordt voor zeer plechtige feesten), rode liturgische gewaden, kandelaars, reliekbustes en een stralende monstrans omlijst door een baldakijn, elementen die aanduiden dat hier het feest van het Heilig Sacrament is afgebeeld of de Eucharistische Aanbidding van het Veertig-Uren-gebed (meestal gehouden aan het begin van de vastentijd).

Bepaalde ceremonieën binnen de jaarlijkse liturgische cyclus werden op bijzondere wijze opgeluisterd. Zo werden tijdens de Passietijd de beelden en het heiligdom bedekt met lakens volgens een gebruik dat teruggaat tot de Middeleeuwen. De ontbering van de vastentijd betekende niet alleen een ontbering van voedsel, maar ook een visuele en auditieve ontbering (geen muziek meer uit het orgel). Uitzonderlijk is dat de Sint-Carolus-Borromeuskerk fragmenten bewaart van een rond 1621 vervaardigd passiedoek dat tijdens de vastentijd voor het heiligdom werd gehangen om het aan het zicht van de gelovigen te onttrekken. Het uit kant vervaardigde doek met scènes uit het leven van Sint-Ignatius werd versneden om er een bekleding voor een communiebank van te maken.
