Biechten: de boetcyclus van biechtstoelen

Het toedienen van het boetesacrament is een essentieel onderdeel van de katholieke geloofsbelijdenis en werd in het zog van de katholieke Reformatie ingevoerd. De biecht behoorde tot de plechtigste gebeurtenissen uit het leven van een christen. Door te biechten kon de gelovige zijn geweten verlichten en zijn ziel zuiveren opdat zij waardig zou zijn voor het ontvangen van de andere sacramenten, in het bijzonder de communie (het Heilig Sacrament), maar ook het huwelijk en het laatste oliesel. Bij het boetesacrament hoort een specifiek meubel: de biechtstoel. In de 17de eeuw veranderde de liturgische scenografie de ruimtelijke organisatie van de kerken. De biechtstoel werd nu een essentieel meubelstuk dat diende ter ondersteuning en als fysieke omlijsting van de biecht. Zo werd de gelovige in Antwerpen letterlijk ‘omkaderd’ door 10 biechtstoelen (momenteel 8) die rond het schip stonden opgesteld. De biecht was er dus alomtegenwoordig, behalve aan de kant van het heiligdom dat voorbehouden was voor het sacrament van de Eucharistie.

De jezuïeten hadden sterk geijverd om het boetesacrament weer in te voeren en er zodoende toe bijgedragen dat de biecht een belangrijk instrument werd van berouw, maar ook van onderwerping en gehoorzaamheid aan het gezag van de Kerk. In Antwerpen konden de biechtstoelen plaats bieden aan de duizenden boetelingen die elke maand massaal ter communie gingen op de algemene biechtdagen. Tegen de jaren 1640 hadden de Antwerpse jezuïeten 26 biechtstoelen in hun kerk geïnstalleerd. Zoals blijkt uit menig oude interieurzichten waren de tien biechtstoelen in de zijbeuken voorbehouden voor vrouwen, en de tien biechtstoelen in de twee galerijen voor mannen. De resterende zes biechtstoelen stonden opgesteld in de Onze-Lieve-Vrouwekapel en in de Sint-Ignatiuskapel.

Hoewel de biechtstoelen en de lambriseringen – die vermoedelijk rond het midden van de 17de eeuw in de zijbeuken zijn geplaatst (zichtbaar op enkele oude interieurzichten) – verloren zijn gegaan tijdens de brand van 1718 geven de Onze-Lieve-Vrouwekapel en de Sint-Ignatiuskapel ons een idee van hoe de opbouw en de decoratieve afwerking van de oorspronkelijke biechtstoelen (die mogelijk oorspronkelijk in het schip stonden) er moeten hebben uitgezien. Ze bestaan uit drie open compartimenten, waarvan het centrale deel gecantonneerd wordt door twee hermes-engelen met op de rug consolevormige vleugels die dienst doen als scheidingswand tussen de compartimenten.

De biechtstoelen die thans in de zijbeuken staan werden na 1720 gebouwd door Jan Pieter van Baurscheit en Michiel van der Voort, en vertonen dezelfde open structuur (de compartimenten hebben geen overkapping en zowel de biechtvader als de boetelingen zijn van elkaar gescheiden door tussenschotten). De middelste nis, die voorbehouden is aan de biechtvader, heeft als enige een zitplaats en bezat oorspronkelijk een laag deurtje. De boetelingen beschikken over een trede en een knielbank. Zoals de meeste biechtstoelen uit deze periode overweldigen de biechtstoelen de gelovige door hun sculpturale uitwerking: vier engelfiguren (de buitenste zijn hermes-engelen) met bijzonder expressieve lichaamshoudingen en vleugels die van de wand tot aan de pilasters van de lambrisering zijn geplooid en de bovenkant vormen van de scheidingswanden tussen de compartimenten. De twee biechtstoelen die het dichtst bij de ingang staan, dateren uit de 19de eeuw en zijn het werk van Jean-Baptiste van Hool.






De gevarieerde gelaatsuitdrukkingen van de figuren en de attributen van de centrale beelden (paarsgewijs opgesteld) brengen het thema van boetedoening en inkeer tot uitdrukking. De noordkant lijkt te verkondigen hoe een christen zijn zonden kan belijden. Van de ingang richting het koor: zich door berouw schamen voor zijn fouten (twee treurende engelen); leven als een goede christen door vasten en gematigdheid (de ene engel houdt een waterkan en een vis vast, de andere een mondstuk); boetedoening en zich wenden tot het gebed om vergeving van God te krijgen (de ene engel geselt zich, de andere leest met rozenkrans in de hand een devotieboek). De zuidkant illustreert het thema van het lijdensverhaal (de ene engel houdt de doornenkroon vast, de andere de lans van Longinus en de in azijn gedrenkte spons), van de vergiffenis (een engel veegt met een spons over een tablet, de andere engel houdt de hemelsleutels vast) en van de dood (een engel houdt een schop en scheenbenen vast, de andere engel mediteert gebogen over een schedel) en lijkt uit te drukken dat om de dood tegemoet te treden de Kerk in staat is zonden te vergeven dankzij het offer dat Christus bracht voor het heil van de mensheid.









Boven elke centrale loge illustreert een medaillon op de lambrisering een Bijbels tafereel dat betrekking heeft op de door de engelen geïllustreerde allegorische thema’s die de gelovigen dienen te bewegen tot bezinning over berouw, matigheid, boetedoening, passie, vergiffenis, naastenliefde en gebed. Vanaf de ingang richting het koor in het noorden: Christus drijft de kooplieden uit de tempel, Zacheüs in de boom bij Jericho, de Samaritaanse vrouw, de Overspelige vrouw, Christus aan het kruis. En vanaf de ingang richting het zuiden: de Bekering van Sint-Paulus, de Opstanding van Lazarus, de Hof van Olijven, de Verloren zoon, de Barmhartige Samaritaan.