
Beeld
Vertrekkende van het principe dat de betekenis van beelden verder reikt dan het louter decoderen van hun iconografie, verruimt relationele iconografie de betekenis van beelden door het relationele netwerk waarin hun betekenis tot stand komt in aanmerking te nemen. Zoals blijkt uit het schema gaat het erom voorstellingen te beschouwen als zijnde het knooppunt van een relatienetwerk met uiteenlopende configuraties:
-
Relaties tussen beelden die zich bevinden op verschillende plaatsen in de kerkruimte, verbanden die de toeschouwer tijdens zijn rondgang in de kerk ontdekt: welke netwerken, verbanden, echofenomenen, redundanties of beeldhiërarchieën organiseren de kerkruimte, bakenen de drempels van sacraliteit af, bepalen het traject binnen de kerk of zelfs op stedelijk niveau?
-
Relaties die ontstaan tussen beelden en de rituele handelingen van de officianten en de gelovigen: met andere woorden, wat zijn de functies (retorisch, didactisch, devotioneel of liturgisch) van deze beelden binnen het perspectief van een sociale groep, rekening houdend met de intenties van de opdrachtgevers en de gebruiken van de gelovigen?
-
Relaties tussen beelden en de verschillende media die ze in materie vormgeven en aanschouwelijk maken, of het nu gaat om de wisselwerking tussen beelden in de vorm van een schilderij, beeldhouwwerk, edelsmeedkunst, borduursels, of om de wisselwerking met materialen, decors en zelfs architectuur: op welke manier ontvouwen deze interacties zich (in dialoog, complementair, ter accentuering, als kader, in de vorm van een mise en abyme, enz.)?
-
Relaties tussen beelden en de liturgische tijd. Dit kunnen gewone vieringen (eucharistie, getijden, enz.) zijn of bijzondere vieringen (efemere feestelijkheden): op welke wijze ritmeren deze beelden de liturgische tijd? Maar ook, hoe transformeren beelden op hun beurt tijdens bepaalde vieringen?
-
Relaties die zich in de loop van de geschiedenis ontwikkelen tussen beelden en een beeldcultuur of een iconografische traditie: hoe komt binnen een bestaande artistieke of iconografische traditie de betekenis van een beeld tot stand? Welke plaats neemt het in als sleutelrol binnen een over een lange periode uitgespreide reeks van voorstellingen?
Dit betekent dat door zowel het architectonisch omhulsel – dat als een taal wordt beschouwd – onder de loep te nemen, als ook de interieurcomponenten, het doel nu is de ‘semantische eenheden’ te bestuderen middels hun wederkerige binnen de ruimte uitgesponnen relatie, en dit in samenhang met de menselijke handelingen, de gebruikte media, de liturgische tijd of met de iconografische traditie die zich in de tijd ontvouwde. Deze invalshoek stelt ons in staat te begrijpen hoe dit ‘beeldsysteem’ velerlei betogen en betekenissen tot stand brengt die – afhankelijk van de verschillende lezingen en duidingen door een meervoudig publiek –voortdurend aan verandering onderhevig zijn.
Om de werking van dit beeldsysteem te bestuderen stelt dit instrument voor om een paradigmatisch geval te bestuderen: de voormalige jezuïetenkerk in Antwerpen, nu bekend als de Sint-Carolus-Borromeuskerk. In deze kerk werkten jezuïeten samen met de meest vooraanstaande kunstenaars van hun tijd om een uiterst rijk en complex iconografisch programma te ontwikkelen dat desalniettemin toegankelijk was voor een brede bevolkingsgroep.